Samenvatting voorlopige onderzoeksresultaten externe veiligheid en vergelijking alternatieven
16 maart 2026 Matthijs Oppenhuizen
Op 12 maart 2026 was er een bijeenkomst van het informatieplatform over de voorlopige onderzoeksresultaten naar externe veiligheid en de vergelijking van de alternatieven A, B, C en D. Hieronder vatten we de voorlopige conclusies over deze twee onderwerpen samen. We vatten ook de vervolgstappen voor het windpark samen. De volgende bijeenkomst van het informatieplatform is op 28 mei 2026 en gaat over het plan waarvoor wij een vergunning willen aanvragen bij de provincie.
Bijeenkomst informatieplatform over externe veiligheid en vergelijking alternatieven
Op 12 maart 2026 was er een bijeenkomst van het informatieplatform van Windpark Oude Buurserdijk. We hebben hier de voorlopige onderzoeksresultaten naar externe veiligheid en de vergelijking van de alternatieven A, B, C en D toegelicht. Deze voorlopige onderzoeksresultaten staan op deze website (klik daarvoor hier).
Conclusies van voorlopige onderzoeksresultaten externe veiligheid
We hebben externe veiligheid onderzocht voor de vier alternatieven (manieren waarop de windmolens in het gebied kunnen staan). Deze vier alternatieven A, B, C en D staan hier op deze website. We zijn hierbij uitgegaan van windmolens van 280 meter tiphoogte, de grootste windmolens binnen de bandbreedte die we hanteren.
Wat is externe veiligheid?
Ondanks veel voorzorgsmaatregelen en veiligheidseisen kan nooit helemaal worden uitgesloten dat er een ongeluk gebeurt. Een windmolen kan – in theorie – omvallen, onderdelen kunnen afbreken of er kan bij koud en vochtig weer ijs van de wieken vallen. Dit kan een risico zijn als er gebouwen en locaties in de buurt zijn waar regelmatig mensen kunnen zijn. In het onderzoek wordt geanalyseerd of de kans op een ongeluk als er bijvoorbeeld iets afbreekt klein genoeg is. Dit is onderzocht voor kwetsbare objecten (bijvoorbeeld woningen), beperkt kwetsbare objecten (denk aan stallen of loodsen) en infrastructuur (bijvoorbeeld wegen, gasleidingen en stroomkabels).
Kan windpark voldoen aan concept landelijke norm voor externe veiligheid?
De landelijke overheid heeft een concept landelijke norm voor externe veiligheid gepubliceerd. Deze norm is nog niet van kracht. Wel hebben we gekeken of het windpark kan voldoen aan deze norm, voor het geval deze norm van kracht wordt.
Volgens deze concept norm mag de kans op het overlijden van een persoon in een (beperkt) kwetsbaar object door een ongeluk met een windmolen niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. In beperkt kwetsbare objecten mag de kans op overlijden ook eens in de 100.000 jaar zijn, mits goed kan worden onderbouwd waarom dit iets grotere risico kan worden toegestaan.
Verder is gekeken of het windpark voldoet aan veiligheidsrichtlijnen van onder andere ProRail, TenneT, Rijkswaterstaat en Gasunie.
In de presentatie van 12 maart vatten we de voorlopige resultaten van het concept onderzoek naar externe veiligheid samen. Dat zijn de volgende conclusies:
De afstand tussen de windmolens en bijna alle (beperkt) kwetsbare objecten in de omgeving, infrastructuur en risicovolle installaties is groot genoeg om te voldoen aan de concept landelijke norm.
- Nadere analyse voor drie gebouwen
De afstand tussen de windmolens en drie gebouwen is in principe te kort om automatisch te kunnen voldoen aan de normen. Dat gaat om een stal aan de Leppeweg, een stal aan de Hegebeekweg en een schuilhut vlakbij de stal aan de Hegebeekweg. Er is een nadere analyse gedaan voor deze drie gebouwen.
Als algemene vuistregel geldt dat er wordt voldaan aan de concept veiligheidsnorm als de afstand tussen de windmolen en een gebouw gelijk is aan de tiphoogte. Dat is in dit geval dus maximaal 280 meter. De afstand tussen de stal aan de Leppeweg en het windpark is in enkele gevallen circa 250 meter. Een klein deel van deze stal valt daarmee in de veiligheidszone. Maar windmolens worden steeds veiliger. Ook is gekeken naar afmetingen en draaisnelheden van moderne windmolens, want dat bepaalt hoe groot de afstand is waar onderdelen kunnen belanden bij een ongeluk. Daaruit blijkt dat de afstand tot gebouwen minimaal 209 meter moet zijn. De stal ligt op grotere afstand waardoor de kans op overlijden bij een ongeluk ook hier klein genoeg is en er aan de concept landelijke norm wordt voldaan.
De stal aan de Hegebeekweg wordt alleen gebruikt voor opslag van materialen en af en toe staan er koeien in. Er zijn daardoor vaak weinig tot geen mensen. Daarmee is uit te leggen dat voldoen aan de norm van eens in de miljoen jaar niet nodig is, maar dat wel kan worden voldaan aan de norm van eens in de 100.000 jaar.
De schuilhut vlakbij de stal aan de Hegebeekweg is niet in gebruik en heeft volgens het bestemmingsplan ook geen functie. Daarom hoeft hier vanwege externe veiligheid geen rekening mee te worden gehouden.
- Advies: systeem om vallend ijs te voorkomen
Als het koud en vochtig is, kan zich ijs op de wieken van de windmolens vormen. Als de windmolens draaien, kunnen grote stukken ijs in de omgeving belanden. Het advies is om daarom een ijsdetectiesysteem te installeren. Dit systeem weet wanneer ijs op de wieken kan ontstaan en zet dan de windmolens stil. Het ijs kan dan veilig van de wieken vallen en valt direct rondom de windmolens. Als het ijs van de wieken is, kunnen de windmolens weer draaien. Dit systeem wordt vaker gebruikt en is een bewezen techniek.
- Energieopslagsysteem is geen extra risico
Het energieopslagsysteem (EOS) dat we beogen en het windpark hebben geen effect op elkaar als het gaat om externe veiligheid. Het EOS is geen kwetsbaar object en kan daarom dichtbij de windmolens staan. Verder is de afstand tussen het EOS en bijvoorbeeld woningen groot genoeg om in het geval van een ongeluk effecten op woningen te voorkomen. Het effect van het EOS op externe veiligheid blijft redelijk beperkt tot de plek van het EOS zelf.
Vergelijking van alternatieven A, B, C en D
In de onderzoeken voor het Milieueffectrapport (MER) zijn de vier alternatieven A, B, C en D onderzocht. In het MER worden deze alternatieven vergeleken. Zo wordt duidelijk of het ene alternatief een ander effect heeft op de omgeving dan het andere alternatief. De voor- en nadelen van elk alternatief worden zo duidelijk. De alternatieven zijn vergeleken op deze onderwerpen:
- Geluid
- Slagschaduw
- Externe veiligheid
- Landschap
- Natuur
- Cultuurhistorie en archeologie
- Waterhuishouding, bodem en ruimte
- Elektriciteitsopbrengst en vermeden emissies
In de presentatie van 12 maart vatten we de voorlopige resultaten van deze vergelijking samen. Dat zijn de volgende conclusies:
- Geluid
Als er een geluidsnorm van 47 dB Lden geldt voor het windpark, is het aantal geluidgevoelige objecten (bijvoorbeeld woningen) binnen de contour van Lden 47 dB in elk alternatief gelijk. Als er een geluidsnorm van 45 dB Lden geldt, scoort alternatief A (vijf windmolens) met een luidere windmolen beter dan of gelijk aan de andere alternatieven. 45 dB Lden is de concept landelijke norm voor geluid.
Als er wordt gekozen voor een stillere windmolen, is er geen verschil in de alternatieven.
Met een geluidsnorm van 45 dB Lden is het negatieve effect op de akoestische kwaliteit in de omgeving in elk alternatief hetzelfde. Met een geluidsnorm van 47 dB Lden is het negatieve effect op de akoestische kwaliteit in veel gevallen groter.
Dit komt doordat met vijf windmolens en/of een luidere windmolen de windmolens vaker langzamer moeten draaien om te kunnen voldoen aan de norm van 45 dB Lden. Voor de woningen in de directe omgeving (op enkele honderden meters afstand) zal het geluid vrijwel zeker (bijna) gelijk zijn aan wat volgens de geluidsnorm mag. Het verschil per alternatief zit met name in het effect op de wijdere omgeving. Met een norm van 47 dB Lden is het effect op de wijdere omgeving vaker negatiever doordat de windmolens minder vaak langzamer hoeven te draaien om aan deze norm te kunnen voldoen.
- Slagschaduw
De concept landelijke norm voor slagschaduw is dat er maximaal zes uur per jaar slagschaduw op een woning mag ontstaan. Als deze norm in de vergunning voor het windpark komt, is het effect op de omgeving van de vier alternatieven vergelijkbaar.
In alternatieven A en B moeten de windmolens – als wordt gekozen voor windmolens aan de bovenkant van de bandbreedte – wel vaker stilstaan om aan deze norm te kunnen voldoen, maar dit is niet heel veel meer dan in alternatieven C en D. Voor de woningen in de directe omgeving (op enkele honderden meters afstand) zal de slagschaduw vrijwel zeker (bijna) gelijk zijn aan wat volgens de slagschaduwnorm mag.
- Externe veiligheid
Op het gebied van externe veiligheid is er geen verschil tussen de alternatieven.
- Landschap
Er is vrijwel geen verschil in het effect op het landschap tussen de vier alternatieven. Wel hebben windmolens aan de onderkant van de bandbreedte (225 meter tiphoogte) soms een minder negatief effect. Zo zijn deze windmolens op grotere afstand minder zichtbaar. Ook hebben kleinere windmolens minder effect op de openheid van het landschap als er vanuit het gebied binnen 2,5 kilometer van het windpark wordt gekeken.
- Natuur
Het effect op de natuur is bij alternatief A (vijf windmolens) deels groter dan bij de andere alternatieven. Door de vijfde windmolen is de kans op vogel- en vleermuisslachtoffers iets groter en staan enkele windmolens dichterbij gebieden die vallen onder Natuur Netwerk Nederland.
- Cultuurhistorie en archeologie
Het effect op de archeologie is bij alternatief A (vijf windmolens) iets groter dan bij de andere alternatieven. Door de vijfde windmolen is de kans groter dat er een windmolen op een plek kan komen te staan die ook archeologische waarde heeft.
- Waterhuishouding, bodem en ruimte
Op deze drie thema’s verschillen de vier alternatieven niet of nauwelijks. Het belangrijkste verschil is dat alternatieven A en B niet voldoen aan de concept landelijke afstandsnorm van minimaal twee keer tiphoogte afstand. Alternatieven C en D voldoen hier wel aan. Deze mogelijke afstandsnorm geldt nog niet. Daarom hebben we alternatieven die daar wel en niet aan voldoen, onderzocht.
- Elektriciteitsopbrengst en vermeden emissies
Over het algemeen wordt er met vijf windmolens en windmolens aan de bovenkant van de bandbreedte van de afmetingen meer duurzame elektriciteit opgewekt en wordt er meer uitstoot van broeikasgassen voorkomen.
Effect per opgewekte 1.000 MWh vergeleken
Er is ook berekend wat het effect van elk alternatief is in verhouding tot de opgewekte elektriciteit. De onderzoeken geven informatie over bijvoorbeeld het aantal mensen dat potentieel hinder kan hebben van het geluid of het aantal vogelslachtoffers. Door dat te delen door de elektriciteitsopbrengst wordt ook duidelijk of een hogere elektriciteitsproductie zorgt voor een groter effect op de omgeving. Het plaatst de effecten op de omgeving meer in perspectief. Het effect is voor geluid, slagschaduw en natuur berekend per 1.000 MWh. Dat is 1 miljoen kWh. We vatten deze vergelijking hieronder samen:
- Geluid
Als er een geluidsnorm van 45 dB Lden geldt, scoort alternatief A (vijf windmolens) in deze vergelijking over het algemeen het beste. De kans is groot dat wij uiteindelijk windmolens kiezen die aan de bovenkant van de bandbreedte zitten qua afmetingen (dus circa 280 meter tiphoogte). Als we kiezen voor deze windmolens, scoort alternatief A het beste bij zowel een geluidsnorm van 45 dB Lden als 47 dB Lden.
Uit deze vergelijking blijkt dat in alternatief A met een luidere windmolen de windmolens vaker langzamer moeten draaien om minder geluid te maken, zodat bij de dichtstbijzijnde woningen wordt voldaan aan de geluidsnorm. Dit heeft een positief effect op het aantal potentieel gehinderden in de wijdere omgeving.
Uit deze vergelijking blijkt ook dat de geluidsnorm die zal gelden bepalend is voor het potentieel aantal gehinderden en niet de mogelijke afstandsnorm.
Een nuancering is dat in deze berekening een luide windmolen is gebruikt. Deze moet vaker langzamer draaien om te voldoen aan de geluidsnorm. Daardoor wekken deze windmolens minder op dan ze kunnen. Als er stillere windmolen met afmetingen aan de bovenkant van de bandbreedte wordt geplaatst, hoeft deze minder vaak langzamer te draaien om aan de norm te voldoen. Dan wekken deze windmolens meer op. Het verschil in deze vergelijking tussen windmolens aan de onderkant en de bovenkant van de bandbreedte wordt dan positiever voor windmolens met afmetingen aan de bovenkant van de bandbreedte.
- Slagschaduw
Bij slagschaduw is het verschil tussen de vier alternatieven en windmolens aan de bovenkant en onderkant van de bandbreedte niet groot. Er is niet één alternatief dat duidelijk het minste effect heeft per 1.000 MWh. Alternatief A scoort in deze vergelijking over het algemeen iets beter, want deze heeft een windmolen meer dan B, C en D en dus een hogere opbrengst. In dit alternatief hoeven de windmolens niet veel vaker stil te staan dan in B, C en D om te kunnen voldoen aan de slagschaduwnorm.
- Natuur
In alternatief C met windmolens aan de bovenkant van de bandbreedte qua afmetingen zijn per 1.000 MWh de minste vogelslachtoffers te verwachten. Voor vleermuizen is dit in alternatief B met windmolens aan de bovenkant van de bandbreedte.
Voor elk alternatief geldt dat de kans op vogel- en vleermuisslachtoffers per 1.000 MWh kleiner is met windmolens aan de bovenkant van de bandbreedte. Het aantal slachtoffers is ongeveer gelijk bij grote en kleinere windmolens. Maar doordat windmolens aan de bovenkant van de bandbreedte meer opwekken, is de kans op slachtoffers per 1.000 MWh hier kleiner.
Algemene conclusie van alle vergelijkingen
Over het algemeen zijn de verschillen tussen alternatieven A, B, C en D klein, blijkt uit al deze informatie. Er is niet één alternatief dat duidelijk op veel of alle thema’s veel beter of slechter scoort. Met elk alternatief kan worden voldaan aan (concept landelijke) normen voor windmolens. Wel is duidelijk dat windmolens aan de bovenkant van de bandbreedte aanzienlijk meer duurzame elektriciteit opwekken – circa 30 procent meer dan windmolens aan de onderkant van de bandbreedte. Ook blijkt dat in alle alternatieven er geen (significant) negatieve effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden zijn.
Deel uw mening en ideeën voor het plan voor het windpark
Mede op basis van al deze informatie kiezen wij uiteindelijk een voorkeursalternatief (VKA). Dat is het plan waarvoor wij een vergunning aanvragen bij de provincie. In dit VKA staat hoeveel windmolens er komen, waar precies in het gebied en welke afmetingen ze kunnen krijgen. Ook kunnen op basis van deze informatie normen voor het windpark worden bepaald, als er op het moment dat de vergunning wordt verleend nog steeds geen landelijke normen zijn.
Als initiatiefnemers van het windpark bepalen we de komende tijd wat ons VKA is. We zetten veel informatie op een rij: wat blijkt er uit de onderzoeken? Wat zijn aandachtspunten, zorgen en eventueel voorkeuren van mensen en organisaties uit de omgeving? Wat zijn onze wensen en doelen? Wat zijn de wensen en doelen van de provincie? Uiteindelijk doen wij een voorstel voor een VKA aan de provincie via onze aanvraag en is het de provincie die het VKA vaststelt als hiervoor een vergunning wordt verleend.
We schatten nu in dat wij voor de zomer van 2026 ons VKA hebben gekozen. We houden u daarvan op de hoogte. We zijn van plan om dan ook een informatieavond hierover te houden om dit VKA toe te lichten.
Als u wensen, aandachtpunten, zorgen of voorkeuren heeft die u belangrijk vindt om aan ons mee te geven bij onze keuze voor een VKA, kunt u ons dat laten weten. Mail ons dan via info@windparkoudebuurserdijk.nl of bel Matthijs Oppenhuizen via 06 – 57 87 07 55. We kunnen hierover altijd met u in gesprek.
Vervolgstappen na keuze voor VKA
Als wij een VKA hebben gekozen, vragen wij hiervoor een vergunning aan bij de provincie. De provincie neemt hierover dan een besluit. Als de provincie een vergunning verleent voor ons windpark, wordt dit eerst een ontwerp vergunning. Dat is als het ware een concept vergunning en nog niet definitief. Die ontwerp vergunning wordt ter inzage gelegd, samen met het MER en de onderzoeken. Iedereen die wil, kan hier dan formeel op reageren via een zienswijze. Vervolgens wordt gekeken of de vergunning naar aanleiding van de zienswijzen moet worden afgepast of dat er mogelijk zelfs een streep door het plan moet.
Een exacte planning hiervoor kunnen we nu niet geven. Mogelijk dat wij nog voor de zomer of na de zomer van 2026 de vergunning kunnen aanvragen. Dan kan de provincie wellicht in de tweede helft van 2026 of begin 2027 een besluit nemen. Maar dit is een inschatting van ons en zeker geen definitieve planning. We melden het via onze nieuwsbrief als we hier meer over weten.
Volgende bijeenkomst informatieplatform over het VKA en de concept normen
De volgende bijeenkomst van het informatieplatform was gepland op 16 april, maar is in overleg met het informatieplatform verplaatst naar 28 mei. Wij verwachten dat wij op 28 mei ons VKA hebben gekozen en de concept normen voor het windpark hebben bepaald die wij willen voorstellen aan de provincie. Dit VKA en deze concept normen presenteren wij op 28 mei aan het informatieplatform. Na 28 mei versturen we hierover dan ook een nieuwsbrief en organiseren we de informatieavond hierover. Via onze nieuwsbrief blijft u op de hoogte van alle ontwikkelingen.