Samenvatting voorlopige onderzoeksresultaten ecologie
16 februari 2026 Matthijs Oppenhuizen
Op 12 februari 2026 was er een bijeenkomst van het informatieplatform over het effect van het windpark op de ecologie. We hebben de voorlopige onderzoeksresultaten hierover toegelicht. In dit nieuwsbericht vatten we de conclusies van het voorlopige onderzoek naar ecologie samen. De volgende bijeenkomst van het informatieplatform is op 12 maart 2026 en gaat over externe veiligheid en de vergelijking tussen de opstellingsalternatieven.
Bijeenkomst informatieplatform over ecologie
Op 12 februari 2026 was er een bijeenkomst van het informatieplatform van Windpark Oude Buurserdijk. We hebben hier de voorlopige onderzoeksresultaten naar het effect van het windpark op de ecologie toegelicht. Deze voorlopige onderzoeksresultaten staan op deze website (klik daarvoor hier), zoals toegelicht in onze nieuwsbrief van 5 februari 2026.
Conclusies van voorlopige onderzoeksresultaten ecologie
We hebben het effect van het windpark op de ecologie voor de vier alternatieven (manieren waarop de windmolens in het gebied kunnen staan) onderzocht. Deze vier alternatieven staan hier op deze website.
Windmolens met verschillende tiplaagte
Voor de afmetingen van de windmolens hanteren we een bandbreedte. In het ecologisch onderzoek is rekening gehouden met windmolens binnen deze bandbreedte die het ongunstigst en het gunstigst zijn op het gebied van ecologie. Dat gaat met name over de tiplaagte: de afstand tussen de grond en het laagste punt van de wieken. Over het algemeen geldt dat bij een lagere tiplaagte er meer vogels en vleermuizen slachtoffer kunnen worden door een (bijna) botsing met de wieken.
In de ongunstigste situatie is dat een ashoogte van 150 meter en een rotordiameter van 200 meter. De tiphoogte is dan 250 meter en de tiplaagte is daarmee 50 meter.
In de gunstigste situatie is dat een ashoogte van 180 meter en een rotordiameter van 150 meter. De tiphoogte is dan 255 meter en de tiplaagte is daarmee 105 meter.
Effect op Natura2000, NNN, vogels, vleermuizen, zoogdieren en verbindingszone
Er is onderzocht wat het effect is van het windpark op Natura2000-gebieden, Natuur Netwerk Nederland (NNN), vogels, vleermuizen, en overige beschermde soorten. In de presentatie van 12 februari vatten we de voorlopige resultaten van het concept ecologisch onderzoek samen. Dat zijn de volgende conclusies:
- Natura2000-gebieden
Er zijn geen significante effecten te verwachten op zowel de natuurtypen als diersoorten die typerend zijn voor omliggende Natura2000-gebieden (soorten met Instandhoudings-doelstellingen). Dit komt met name doordat de afstand tussen het windpark en Natura2000-gebieden groot genoeg is en/of dat soorten geen of slechts beperkt gebruik maken van het projectgebied.
- Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied is het Buurserzand & Haaksbergerveen. Met name een libelle-, vis- en salamandersoort zijn de zogeheten doelsoorten voor dit gebied. Deze soorten zijn niet gevoelig voor een windpark op de afstand die Windpark Oude Buurserdijk heeft tot dit gebied.
- De tijdelijke stikstofuitstoot – die vrijwel alleen vrijkomt tijdens de bouw van het windpark - en of dit beperkt genoeg is voor omliggende Natura2000-gebieden, moet nog worden berekenend. Dit gebeurt als er een definitieve keuze is gemaakt voor een alternatief. Tijdens de exploitatiefase van het windpark wordt er zeer beperkt stikstof uitgestoten.
- Natuur Netwerk Nederland (NNN)
In alternatief A (vijf windmolens) draait een van de windmolens met een deel van de wieken over NNN-gebied. Ook is de afstand van de twee westelijke windmolens in alle alternatieven tot het NNN-gebied beperkt. Deze twee westelijke windmolens liggen binnen de zogeheten verstoringsafstand van NNN en kunnen daardoor effect hebben op een deel van het NNN. Dit gaat dan met name over enkele vogelsoorten die daar leven. Deze soorten zijn niet erg gevoelig voor de verstoring door windmolens. Desondanks kunnen effecten aan de orde zijn. Het advies is om nader te onderzoeken wat het effect van het definitief gekozen alternatief is op het NNN. Als er dan een negatief effect te verwachten is, is het advies hiertegen maatregelen te nemen of om een compensatieplan te maken.
- Vogels
Effecten op lokale broedvogels door verstoring in de bouw- en exploitatiefase van het windpark zijn niet uit te sluiten. Het advies is om, zodra een definitief alternatief gekozen is, dit nader te beoordelen en hier in de voorbereiding van de werkzaamheden rekening mee te houden om verstoring van vogelnesten zoveel mogelijk te voorkomen. Dit kan onder andere door buiten het broedseizoen te bouwen of vóór de bouw maatregelen te nemen waardoor in het gebied van het windpark geen nesten worden gemaakt.
- In de exploitatiefase kan vogelsterfte optreden onder lokale (niet-)broedvogels en trekvogels en het meest in alternatief A, doordat in dit alternatief vijf windmolens zijn beoogd en in de andere alternatieven vier windmolens. De verwachting is dat er per windmolen per jaar circa 15 vogels kunnen sterven. De verwachting is dat dit met name roofvogels, duiven en zangvogels kunnen zijn.
- Verschil in tiplaagte (50 of 105 meter) tussen de varianten heeft naar verwachting weinig verschil in de ordegrootte van het aantal vogelslachtoffers. Wel kan een hogere ashoogte bijdragen aan een verlaagd risico op vogelslachtoffers.
- Vanwege de mogelijke sterfte van een aantal vogelsoorten wordt geadviseerd een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit aan te vragen. Daarin wordt opgenomen om welke soorten het gaat, hoeveel slachtoffers te verwachten zijn en wordt onderbouwd dat dit geen bedreiging is voor de instandhouding van die soorten.
- Het windpark vormt geen barrière voor vaste vliegroutes van vogels op rotorhoogte.
- In de wijde omgeving komen ook kraanvogels voor. De kans dat onder deze soort slachtoffers vallen, lijkt klein. Deze soort wijkt vaak behoorlijk uit bij windparken, blijkt uit ervaringen bij andere windparken. Ook vliegt deze soort vaak hoger dan de wieken van de windmolens. Verder is het gebied waar het windpark is beoogd niet van bijzondere betekenis voor de kraanvogels en liggen de gebieden die dat wel zijn, op grote afstand.
Dit geldt ook voor de rode wouw. Deze komt eveneens in de wijde omgeving voor. Het gaat dan vooral om vogels die op trek zijn. Van rode wouwen is bekend dat ze op trek windparken vermijden. Ook voor deze soort geldt dat het gebied waar het windpark is beoogd niet van bijzondere betekenis is.
- Vleermuizen
Er zijn slachtoffers te verwachten onder de gewone dwergvleermuis, de laatvlieger, rosse vleermuis en bosvleermuis. Daarom wordt een stilstandvoorziening voor vleermuizen geadviseerd. Onder bepaalde omstandigheden – weinig wind, hogere temperaturen en ’s avonds / ’s nachts – worden de windmolens dan stilgezet. Dat zijn de momenten waarop vleermuizen aanwezig zijn en in de buurt van de wieken kunnen komen. Door deze maatregel neemt het aantal vleermuisslachtoffers met minimaal 80 procent af. Door deze maatregel is het aantal slachtoffers beperkt en komt de instandhouding van de soorten niet in gevaar. Ook voor vleermuizen wordt geadviseerd om een omgevingsvergunning flora en fauna-activiteit aan te vragen. Verder wordt geadviseerd om tijdens de bouw vleermuisvriendelijke verlichting te gebruiken. Dit beperkt de verstoring van vleermuizen tijdens de bouw.
- Zoogdieren
Er zijn geen grote effecten te verwachten op zoogdieren. Wel is het advies om in de voorbereiding van de bouw het effect op marterachtigen te toetsen. Ook is het goed om maatregelen te nemen om tijdens de bouw zoveel mogelijk sterfte van hazen en konijnen te voorkomen. Een ‘slow start’ bij het heien kan schrikeffecten helpen voorkomen.
- Verbindingszone
Er wordt gesproken over een ecologische verbindingszone om met name het Witte Veen en Buurserzand & Haaksbergerveen met elkaar te verbinden om de doelstellingen voor deze gebieden te kunnen behalen. Deze zone loopt mogelijk ook door het projectgebied van het windpark, maar daar zijn nog geen concrete plannen voor. Daarom is het lastig om in deze fase precies te bepalen wat het effect van het windpark daarop is. In de ideeën tot nu toe lijkt de verbindingszone vooral van belang voor insecten, reptielen en amfibieën. Het windpark heeft weinig tot geen effect op deze soorten in de exploitatiefase. Effecten in de bouwfase kunnen er mogelijk wel zijn, zoals verstoring en sterfte (mits de verbindingszone en doelsoorten dan al aanwezig zijn). Ook kan er minder ruimte zijn voor deze verbindingszone als de windmolens zelf ook daadwerkelijk in een dergelijke zone staan. Het is op dit moment niet duidelijk of dat het geval zal zijn.
Volgende bijeenkomst informatieplatform over externe veiligheid en opstellingsalternatieven
Op 12 maart 2026 is de volgende bijeenkomst van het informatieplatform. Dan staan externe veiligheid en de vergelijking van de opstellingsalternatieven op de agenda. Dat laatste gaat met name over het verschil in effect op de omgeving van de vier alternatieven. De informatie die we met het platform delen, plaatsen we ook op deze website en we informeren u daarover via onze nieuwsbrief.